Overgangsprotocol groep 1,2,3

Inleiding
Ooit was er een zelfstandige kleuterschool naast een zelfstandige lagere school. In die tijd werd het begrip ‘schoolrijpheid’ gebruikt waarmee de mate van geschiktheid om te starten in de eerste klas (nu groep 3) werd aangegeven.

Een tweede gegeven was de geboortedatum. Die datum had niets te maken met de ontwikkeling van de leerling, maar met de bekostiging; 1 oktober was de teldatum! Tegenwoordig heeft die datum van 1 oktober geen functie meer bij het beslissen over de voortgang naar de volgende groep. De behoeften en ontwikkeling van de leerling zijn steeds uitgangspunt voor het onderwijsaanbod en de begeleiding van de leerlingen, van groep 1 tot en met groep 8.

Het is een ontwikkelingspsychologisch gegeven dat kinderen verschillen in de tijd die ze nodig hebben om te ontwikkelen naar het gerichte leren en het uitvoeren van complexe taken. Bij sommige kinderen is er sprake van een normale ontwikkeling, dreigt er geen stagnatie, heeft de school geen hulpvraag, maar is het kind nog niet zover. Als school willen we rekening houden met deze verschillen, omdat het overvragen van het jonge kind in deze fase tot onzekerheid, faalangst en uitval kan leiden.

Een kind heeft recht op een stevig fundament.

In dit protocol worden aandachtspunten en criteria besproken, welke de school gebruikt om de beslissing te nemen of een leerling doorstroomt of een verlengde kleuterperiode krijgt.

De schoolloopbaan van een kleuter
Als een kind vier jaar is begint zijn loopbaan op school. Voordat het kind vier jaar is geworden heeft hij al even mogen proeven aan deze nieuwe omgeving, hij is een aantal keren komen wennen in de klas. Dit wennen gaat bij jonge kinderen heel snel; al vlug hoort een nieuwe leerling helemaal bij de groep en is de schoolomgeving één grote prikkelende uitdaging voor het kind.

Elk kind heeft een eigen ‘beginsituatie’ en een eigen ontwikkeling. Het ene kind zal, net nieuw op school, alles nog ontdekken door te kijken, te luisteren en te spelen, terwijl het andere kind zelf al veel te vertellen heeft, veel weet en graag werkjes doet. Dit maakt de kleuterperiode voor een kind zo’n ontzettend gevarieerde, leerzame en plezierige tijd.

In de regel zit een leerling minstens één heel jaar in groep 1. Als jongste kleuter leert en ontwikkelt een kind de vaardigheden die hij nodig heeft om naar groep 2 te mogen. Deelname aan groep 2 duurt over het algemeen één schooljaar. In dit jaar leert en ontwikkelt een kind de vaardigheden en kennis die hij nodig heeft om te kunnen gaan leren lezen, schrijven en rekenen in groep 3.

Om een voorbeeld te geven: een kind dat in februari vier jaar wordt zit het lopende schooljaar in groep 1 en zo ook het schooljaar dat volgt. De jongste-kleuterperiode van zo’n leerling duurt dus net iets minder dan anderhalf jaar. Hierna gaat het kind naar groep 2 en kan hij, als alles naar verwachting loopt, het jaar erop naar groep 3.

Nog een voorbeeld: een kind dat in juli jarig is komt vóór de zomervakantie niet meer op school wennen; de zomervakantieperiode duurt voor een kind zo , dat wennen geen zin heeft. Na de zomervakantie mag het kind meteen ‘vast’ op school komen en zit hij in groep 1. Dit is hij gedurende één schooljaar (als we uitgaan van een ‘normale’ ontwikkeling). Het schooljaar dat volgt gaat hij naar groep 2. De kleuterperiode van deze leerling duurt dus precies twee jaar.

Er zijn ook zogenoemde ‘herfstkinderen’. Dit zijn kinderen die in oktober, november of december jarig zijn. Van deze kinderen hebben sommigen genoeg aan een wat kortere kleuterperiode, terwijl anderen juist baat hebben bij een verlengde kleuterperiode.

Net zoals bij alle andere leerlingen wordt bij de herfstkinderen gekeken naar hun behoeften en ontwikkeling. Dit betekent dat de school deze leerlingen goed in de gaten houdt om het schoolloopbaanvervolg goed te kunnen verantwoorden. De school zal moeten beslissen of deze leerlingen doorstromen met de oudere kleuters of een verlengde kleuterperiode nodig hebben.